Today I’ve mostly been selecting pictures that are useful for my final project.
Apart form this I found a good reason to go to the KVS or the Royal Flemish Theatre, situated in a nineteenth-century theatre in the rue de Laeken.

I bought a ticket for the monologue “Missie” or Mission. A play written by award-winning writer David Van Reybrouck and played by the great Bruno Vanden Broecke.


Bruno Vanden Broecke crawled into the skin of an old, but still sprightly missionary in the Eastern Congo who is looking back on his life. With amazement, buoyancy and sorrow. In this fragmented monologue he reflects on choices, commitment and above all trust. The topic its makers have in mind is the relationship between ‘mission’ and ‘mysticism’. Does one opt to dirty one’s hands or rather to follow the contemplative life? A reassessment, without irony, of the missionary as a tragic human being. (KVS)
It was a beautiful play. Full of conflicting emotions: one moment I sat with tears in the eyes of laughter, at other moments with tears of emotion, then I was angry, then quiet of disbelief. It made me reflect on my own life and “mission”. What the hell am I’m doing in fact?
After the performance I bought the complete text of the “Missie” play, because I wanted to reread it and share two excerpts of it with you. They are in Dutch as I didn’t want to touch on the integrity of the text (Google translate might help you with a translation in your own language, if you would be interested in reading it).
1.
Van alle sacramenten is de eucharistie het mooiste.
De eucharistie… maar ja, dat is… zeker hier in Afrika.
Dat zijn mensen die samenkomen, die verbondenheid, zoals bij de allereerste christenen. De Afrikaan is een gemeenschapsmens, hé. Dat is ongelooflijk . En dan de mis staan doen onder wat golfplaten en ondertussen een paar kindjes dopen.
En in ‘t regenseizoen,
als’t dan plotseling helemaal donker wordt overdag
en de dikke wolken die samenpakken,
alsof dat ‘t nacht is,
en die eerste druppels op dat zinken dak ,
dop dop dop dop
er zijn geen muren, alleen dat afdak,
en dan dat onweer dat losbarst
bliksem, zo hard, de wereld die scheurt gelijk een oud hemd,
weerlicht, kraken, donder
en de regen die slaat en striemt,
want die druppels, die zijn dikker dan in België,
‘t zijn gelijk touwen of natte keitjes,
ongelooflijk vind ik dat, na al die jaren, nog steeds,
dat brute geweld, in die natuur,
die bomen,
die takken die zwiepen,
die plotse koelte,
en hoe al dat water van dat afdak stroomt,
plotseling hebt ge wel wanden aan uw kerk,
wanden van water
en het moment dat ge denkt dat de wereld nu echt vergaat,
slaat de regen nog wat harder…
en dan een beetje zingen samen,
met die mensen,
die allemaal hun schoon kleren hebben aangedaan,
want dat kunnen ze hier goed,
zelfs de grootste sukkelaar… op zondag…
een beetje zingen over die man die liefde is en, en, en…
ge kunt u dat niet voorstellen
als ge daar niet geweest zijt,
kunt gij u dat niet…
2.
Hier leven ze zoveel langer dan vroeger en ze lijken almaar banger om iets te missen . Laatste keer dat ik er was, ik hoorde niks anders.
Druk, druk, druk.
Hectisch, jong, hectisch. Dat leek een nieuw woordje toen. Ik kende dat niet.
Ik ben dringend aan vakantie toe.
‘t Is nog maar september, ik weet het.
Maar toch.
Een huizeke in d’Ardennen.
Of een cirytrip met mijn maten, naar Barcelona of Berlijn, dat moet niet ver zijn.
Of wat quality time met de kids.
Of een keer wandelen aan zee, waarom niet ?
Gewoon efkes oeeef.
Efkes helemaal niks.
Efkes in mijn bad met mijn broebelingskes.
Ik snap dat niet. Ze hebben meer tijd en minder rust.
Want ze willen dat nog en dat en dat. Efkes niks?
Maar neen, ze willen altijd alles. En ook van den eerste keer.
En liefst altijd nog voorlopig.
Wij kozen hé.
Hier in Congo is de gemiddelde levensverwachting nu 45 jaar. Da’s niet veel, hé, en een paar jaar terug, met den oorlog, was’r nog veel minder. Aan uw veertigste zijt ge hier een oude mens. Maar der is geen enkele Congolees die zich zal haasten om nog ‘t een of ‘t ander mee te pikken, dat bestaat niet. Die pakken
dat gelijk dat het komt. Die zijn daar gerust in.
Maar als gij niet gelooft dat er nog iets komt achteraf, dan moet ge het er nu uit zien te halen, hé.
Dan hebt ge alleen dat ene leven hier, die paar schamele jaarkes, die paar onnozele tutterjaarkes. En dan
wordt ge de vijand van de tijd, van uzelf, en uiteindelijk van uw eigen leven.
Altijd alles, altijd alles, altijd maar alles, want als we straks doodgaan is’t niet éfkes niks maar altijd
niks. En da’s niet veel, zunne.
Ze hebben de eeuwigheid afgeschaft, omdat ze dachten dat ze die later niet meer gingen nodig hebben,
maar ze hebben er nu al alle dagen last van.
Ge kunt maar graag leven als ge ‘t niet te erg vindt om dood te gaan. Ge kunt maar geven, als ge
zelf niet te veel te verliezen hebt. Anders zijt gij een kramp, een mossel die zich vastzet op een boot die
toch ooit wegvaart.
David Van Reybrouck
Just now, a girl, Lydia Baziz, knocked on my window.

She lives in the street as well and received my letter. Like three other (younger) people I met in the street, she comes from France and has been living in the street for one year now. She works for a local radio station and asked me if she could do an interview about the project, one of the following days (Yes, offcourse!). She also brought me a picture of some kind of folk-festival field (if I understood it well).

And today in the street I saw and old man cleaning his windows. Every few strokes he had to stop to catch his breath. I was thinking to go to the other side of the street to help him a little, but instead I just took a picture – next time I’ll help him!

That’s all for today. I also decided not to visit anything in my street myself. Only if I get invited or someone visits me I will gather new information. As I have already enough for quite some work.